door Naomi Geugjes, Martine Zijp Dana Ghahremani

Jongen van zes, uit Irak

Ik ben geboren in Irak, maar daar weet ik niet zo heel veel meer van. We gingen hierheen toen ik nog bijna een baby was, toen ik twee was en nu ben ik zes. Ik weet wel nog opa en oma. Papa ging wel soms op bezoek, maar nu kan dat niet echt door corona. Altijd als papa daarheen ging, sliep hij bij opa en oma. Ik ben nu wel blij met mijn vrienden, mijn juf en mijn ouders, maar ik mis opa en oma heel erg. Papa en mama bellen vaak met ze en dan huilen ze soms. Dan voel ik mij ook verdrietig. Ik krijg van hen veel cadeautjes. Mijn vrienden zijn ook heel belangrijk, anders kon ik misschien niet spelen. Ik wil altijd bij papa en mama blijven en ik wil dat opa en oma ook hier komen wonen, want dan zijn ze niet meer in gevaar. Ik denk ik misschien niet met mijn vrienden kon spelen en Pokémon vangen als ik in Irak woonde, want daar is het altijd gevaarlijk. Dat zou echt stom zijn, want dan kan ik misschien niks doen en dat is saai. Ik mis opa en oma heel erg en als papa en mama huilen aan de telefoon, word ik ook verdrietig.

Ashraf, 27, student

Ik ben een 27-jarige toegepaste psychologie student studerende aan de Hva. Acht jaar geleden vluchtte ik voor de oorlog in Syrië, maar mijn familie zit nog in Damascus. Ik vluchtte om te voorkomen dat ik het leger in moest. Mijn vrienden zijn het leger ingegaan, waarvan ik sommigen nooit meer terug heb zien komen.

Identiteit

De geïnterviewde kinderen tonen overeenkomst in de mate van inzicht die zij bezitten betreffende de relevantie van afkomst, echter nog niet zover dat zij kunnen benoemen waarom, afgezien van bijvoorbeeld het kunnen spreken van een taal. Ook Ashraf en Bahram zijn in overeenkomst wanneer het gaat om de rol van identiteit, bijvoorbeeld wanneer zij aangeven het label ‘vluchteling’ als negatief te ervaren op hun zelfbeeld. Beiden hebben een enorm verlies geleden bij aankomst in Nederland, zo blijkt uit zowel praktijk- als literatuuronderzoek. De sociale, maatschappelijke, culturele en persoonlijke identiteit die zij ervaarden in het ‘ontvluchtte’ land, viel in een klap weg bij aankomst in Nederland. Ashraf geeft aan dat hij door het label niet meer als zijn ‘zelf’ werd gezien en Bahram zegt zich zowel in Iran als in Nederland niet 100% thuis te voelen, door de behandeling van de omgeving. Toen Bahram en zijn gezin naar Iran emigreerde was het plan om daar te blijven, hierdoor had Bahram geen Nederlands paspoort meer omdat deze niet werd verlengd. Als gevolg hiervan werd hij toen hij terug wilde naar Nederland niet meer als Nederlander gezien, hoewel hij zichzelf wel als semi-Nederlands beschouwde. Dit had invloed op de manier waarop hij zichzelf zag en zorgde dat hij ging twijfelen over zijn identiteit. Uit literatuuronderzoek blijkt dat het verliezen van een paspoort bij vluchtelingen kan leiden tot een identiteitscrisis.