Column / Geschikt of niet geschikt?

| Arjan Trommel |

Eind jaren 80 studeerde ik Economie. Een van mijn bijvakken was Algemene Sociologie. Onlangs vond ik op zolder een oud tentamen. Het schudde mij wakker. Het hele tentamen bestond uit een half A4tje. De enige instructie was: formuleer beknopt door u te beperken tot de essentie. Wat een verschil met onze toetsen. Die beginnen met bijna twee pagina’s algemene voorwaarden, disclaimers en waarschuwingen. Maar het meest verrassende in dat oude tentamen waren de vragen. Slechts een paar zinnetjes die neerkwamen op de opdracht: schrijf op wat u weet. Dit oude tentamen weerspiegelde heel goed hoe ik het onderwijs toen ervaren heb. Hoogleraren en docenten waren de deskundigen met uiteraard hun eigen eigenaardigheden. Ze waren geïnteresseerd in wat ik van de stof had opgestoken en wat ik daarvan vond. Mijn tentamenantwoorden werden kritisch door hen gelezen. Zij beoordeelden of ik de essentie had begrepen en op het juiste niveau mee kon komen. Met hun feedback voelde ik me serieus genomen en uitgedaagd. En wat misschien nog wel het belangrijkste was: zij gaven mij de ruimte om op te schrijven wat ik interessant vond en om te laten zien waar ik goed in was. Hoe anders is dat nu? Als student moet je je eerst door anderhalve pagina met instructies en bepalingen heen worstelen en vervolgens proberen uit de vraagstelling te destilleren wat er volgens het antwoordmodel opgeschreven zou moeten worden. Als docent zijn we er in getraind om duidelijke hints in de vraag te stoppen zodat de student weet wat er verwacht wordt. Bijvoorbeeld: noem twee voordelen die wel in het boek staan maar niet in de sheets. Of: geef drie tegenargumenten die beginnen met de tweede letter uit het alfabet. Tot slot worden de antwoorden langs een meetlat met 43 criteria gelegd, in een Excelsheet gestopt en wordt de rekening opgemaakt: geschikt of niet geschikt. Terugkijkend is het natuurlijk makkelijk te verklaren dat we terecht zijn gekomen in deze malle toetscultuur met toetsmatrijzen, didactische visies en constructief gealinieerde onderwijsmodellen als artefacten. Het is een logisch resultaat van een bekende riedel: het onderwijs als markt, de student als consument, diplomafraude, control, compliance, enzovoort. Wij zijn nu permanent bezorgd dat wij onterecht diploma’s afgeven. Bezorgd dat we een cijfer niet exact kunnen onderbouwen. Bezorgd dat de student ontevreden is. Bezorgd dat de toets niet zichtbaar te herleiden is tot het tabelletje waarin het eindniveau staat beschreven. Bezorgd voor ogenschijnlijke willekeur. Kortom, we doen dit niet om betere bestuurskundigen af te leveren, maar om ons zelf te beschermen tegen kritiek. Waarom zijn we dit normaal gaan vinden? Diep in ons hart willen we dit toch helemaal niet? We willen studenten toch niet klaarstomen voor het oplossen van onze raadsels? We willen studenten toch niet afrekenen op iets waar ze niet goed in zijn? We willen juist talenten aanboren. We willen studenten helpen die talenten te ontplooien. We willen succes en zelfvertrouwen aanwakkeren. We willen dat het interessante en evenwichtige bestuurskundigen worden met hun eigen eigenaardigheden. Daarvoor moeten die studenten durven laten zien wat ze weten, kunnen, vinden en denken en daar zouden wij als professional met iets meer ervaring, iets over moeten mogen zeggen: geschikt of niet geschikt. Dat is wat we willen. Althans, zo praten we hier over op verjaardagsfeestjes en tijdens de vrijdagmiddagborrel. Maar wat gaan we hieraan doen? Vroeger was niet alles beter, maar ook niet altijd slechter. Wellicht goed om eens terug te kijken of we nog op het juiste pad zitten. Misschien moeten we gewoon beginnen met beknopt formuleren wat ook alweer de essentie is van studeren in het hoger onderwijs. Arjan Trommel.