Een uitdagend jaar vanuit drie perspectieven

Een gesprek tussen student Cato van Hoegee, opleidingsmanager Steven Jongejan en docent Tibbe Bakker

Het waren bestuurskundig interessante tijden het afgelopen jaar. Corona dwong het opleidingsmanagement om lastige beslissingen te nemen die niet alleen het studentenleven overhoop gooiden, maar ook het werk van docenten ingrijpend veranderden. Reden genoeg om eens vanuit die drie perspectieven terug te blikken én vooruit te kijken. Opleidingsmanager Steven Jongejan en student Cato van Hoegee gingen met elkaar in gesprek onder leiding van docent Tibbe Bakker. Het is weer een lange dag geweest met vele online vergaderingen als we ook dit gesprek nog starten, aan het einde van deze maandagmiddag, via Microsoft Teams. Vanuit haar studentenkamer (Cato), de werkkamer met boekenkast op de achtergrond (Steven) en de slaapkamer (Tibbe) treffen we elkaar voor wat aanvankelijk bedoeld was als interview om onze opleidingsmanager eens aan de tand te voelen, maar uiteindelijk de vorm krijgt van een driegesprek tussen een student, docent en manager. Allen kijkend vanuit een andere invalshoek, maar ook allen geconfronteerd met uitdagingen, motivatieproblemen en dilemma’s in de afgelopen maanden. Én allen ooit dezelfde studiekeuze gemaakt!


De keuze voor bestuurskunde

Als geboren en getogen Amsterdammer lag de keuze voor de UvA voor de hand voor onze opleidingsmanager Steven Jongejan, momenteel zelf ‘afgezakt’ naar Amstelveen. Steven: “Ik ben opgegroeid in een PvdA-nest met hele politiek actieve ouders die elkaar ook hebben ontmoet bij een demonstratie voor het een of het ander; zelf ben ik ook haast demonstrerend geboren. Toen ik later in de Pijp woonde wilde ik ook iets meer doen voor de omgeving waarin ik me toen bevond en zo werd ik ook lid van die partij, waarvoor ik ook een tijd in de deelraad van stadsdeel Zuid heb gezeten en daar fractievoorzitter ben geweest. Tibbe: “Hoe heb jij dan eigenlijk voor de studie Bestuurskunde gekozen?” Steven: “Ik studeerde Arbeids- en Organisatiepsychologie, ik was voorzitter van de studievereniging en was politiek actief dus ik was ook heel erg met ‘het publieke’ bezig. In mijn studie ging het toen vooral erg veel over winstmaximalisatie van organisaties; bij Politicologie kon ik later enkele bestuurskundige vakken volgen die meer pasten bij mijn interesse in het publieke domein. Daarin ben ik later ook afgestudeerd.” Cato: “Waarom ben je dan gewisseld van het politieke naar het onderwijs?” Steven: “Veel in mijn leven komt voort uit toeval. Ik werkte, in de tijd dat ik politiek actief was, ook als organisatieadviseur, veel voor de overheid. Later werkte ik ook voor de Algemene Rekenkamer in Den Haag. Ik kreeg de kans om secretaris van het college van bestuur van de Gerrit Rietveldacademie te worden. Daar kwamen veel dingen bij elkaar; mijn kennis over organisaties, bestuurskunde, het publieke domein…toevallig was dat in het onderwijs, maar het had net zo goed de zorg kunnen zijn, of de wereld van woningcoöperaties. Het onderwijs is daarna echt onder mijn huid gaan zitten. Het is zo wezenlijk om in de vormende periode, die eerste 25 jaar van een mensenleven, een deel verantwoordelijkheid te mogen dragen. Dat heeft te maken met mijn herkomst, het sociaal democratische gedachtegoed; ik geloof nog steeds heel erg in de emanciperende en verheffende werking van onderwijs. Dat is superbelangrijk in de samenleving. Dat geeft me heel veel energie.”


“Het is zo wezenlijk om in de vormende periode, die eerste 25 jaar van een mensenleven, een deel verantwoordelijkheid te mogen dragen.”

Ook Cato van Hoegee was al op jonge leeftijd politiek actief als gemeenteraadslid voor D66 in haar toenmalige woonplaats Heerhugowaard. Cato: “Bij mij begon het bij het LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren) waarvoor ik tijdens mijn middelbare schooltijd actief was. Daar ontstond mijn interesse voor bestuurlijke thema’s, belangenbehartiging en het aanpakken van grote problemen. De studie Bestuurskunde paste daar het beste bij. In de gemeenteraad was ik toch met afstand de jongste; na mij was de eerstvolgende 43 jaar. Ik besloot dus naar Amsterdam te verhuizen en te beginnen aan mijn studentenleven. ” Met al die ervaring miste Cato met name bij het vak Project soms wat uitdaging. In reactie daarop schets Steven het dilemma van het eerste jaar, waarin de lat voor sommige studenten direct erg hoog ligt terwijl anderen voor deze studie kiezen als voorbereidingsjaar op een universitaire studie. Het gebrek aan uitdaging was echter niet het enige waar Cato tegenaan liep in dat eerste jaar; in maart vorig jaar brak de coronacrisis uit.


Het begin van de coronatijd

Het derde blok was net gestart toen vanuit Italië steeds meer zorgwekkende berichten ons land bereikten. Steven: “Ik was met mijn dochter in Antwerpen, waar alles langzaam dicht begon te gaan. We waren in een museum, dat plots ging sluiten. Toen ik terug was en weer aan het werk ging moesten we in het onderwijs ook ineens gaan nadenken over wat we doen en hoe we dat in een ander vat konden gaan gieten. Ik ben nog steeds wel onder de indruk van hoe ‘we’ met zijn allen hebben gedaan, ook in het onderwijs van mijn kinderen en wat betreft de samenleving als geheel.” Tibbe: “Wat was voor jou als bestuurder in die tijd het moeilijkst?” Steven: “Aan de ene kant wil je als manager zorgen dat docenten de ruimte krijgen om te doen wat ze willen doen met hun vak en hun onderwijs, aan de andere kant wil je ook het welzijn van studenten en docenten voor ogen houden; kan het ook allemaal, blijven mensen ondertussen wel gezond en gelukkig? Ondertussen moet je dat ook faciliteren; zorgen dat mensen camera’s hebben thuis en dat soort fratsen. Je hebt steeds met veranderende omstandigheden te maken. Inmiddels kunnen we wat meer teruggrijpen op ervaringen. We kunnen nu weer terugschakelen naar de situatie zoals die was in september. In het begin hadden we die ervaringen nog niet, toen was eigenlijk alles nieuw.” Tibbe: “Cato, hoe kijk jij terug op die begintijd?” Cato: “Wij waren met BSKA op studiereis naar Sicilië, overtuigd door het argument dat Milaan verder van dat eiland lag dan Amsterdam. Toen we terugkwamen werden wel meteen de het vak Project stilgelegd, we konden toen niet meer naar Brabant om vragenlijsten af te nemen. In de eerste week daarna zat je gewoon lekker relaxed in je pyama je lessen te volgen. Ik vond het wel even prima, hoefde niet voor elke les helemaal naar Amsterdam. Ik geloofde toen nog dat het allemaal snel weer goed zou komen.” Steven: “Dat geloofde ik toen ook hoor. Dat gedoe met anderhalve meter afstand…ik was er toen redelijk van overtuigd dat we daar na de zomer vanaf waren en veel meer konden.”


“In de eerste week zat je gewoon lekker relaxed in je pyama je lessen te volgen. Ik vond het wel even prima.”

Demonstreren en de tweede golf

Die zomer leek het allemaal weer terug naar de oude situatie te gaan. Het duurde in het najaar niet lang of de tweede golf diende zich aan. Cato: “In de zomer ging alles weer open. Ik besloot toen ook naar Amsterdam te verhuizen. Toen ik over de studentenvakbond ASVA las, waar het gaat over studentenbelangen en die niet alleen maar zeuren maar vooral doen, melde ik me aan als bestuurslid. In oktober werd ik ingewerkt. Niet lang daarna ging het allemaal weer de verkeerde kant op en ging alles weer online.” Met de studentenvakbond nam Cato later deel aan demonstraties voor meer fysiek onderwijs. Niet alleen op het onderwijs zelf, maar vooral ook op het studentenleven had corona invloed. Cato: “Mijn medestudenten kende ik nog amper. Velen zijn na het eerste jaar gestopt. Ik belande in een soort herhaling, van het bed naar je bureau, alles in dit kamertje waarin ik nu 24 uur per dag, 7 dagen per week zit. Ik besloot toen tijdelijk te stoppen met de studie.” Tibbe: “Neem je wel eens iemand wat kwalijk daarvoor?” Cato: “Niet dat corona er is. Maar die persconferenties waarin steeds wordt gezegd dat er over twee weken weer iets kan…en dat dan vervolgens toch weer niet kan. Daar kan ik niet meer tegen. Dat is net alsof ik als een ezel achter zo’n wortel aanloop die me word voorgehouden. Dat voelt uitzichtloos.” Tibbe: “Hoe is dat voor jou, Steven?” Steven: “We willen niet de ene week dit, de andere week dat; we proberen vooral wat meer voorspelbaarheid te organiseren. Er is al zoveel onvoorspelbaarheid, daar wilden wij niet aan bijdragen. Ik denk niet dat de HvA zich heel assertief heeft opgesteld. Ik weet dat jij daar ook wel iets van vindt, Tibbe.” Tibbe: “Je doelt op de kritiek die er was op bestuurders en het management dat de HvA te langzaam en afwachtend heeft gehandeld denk ik. Wat lag daar aan ten grondslag?” Steven: “Je bent zo’n grote speler in deze stad, aan de ene kant heb je dus een hele grote maatschappelijke verantwoordelijkheid. Je wilt dan laten zien dat je constructief meewerkt, de maatregelen volgen, rekening houden met de belasting van het openbaar vervoer, beperkt aantal mensen in gebouwen, kortom; veel water bij de wijn doen. Anderzijds had ik het zelf wel prettig gevonden als er wat meer publiek kritisch vanuit de HvA was opgetreden, om een punt wat scherper te maken. Zelf ben ik wel fan van Ron Bormans, voorzitter van het college van bestuur van de Hogeschool Rotterdam. Hij heeft intern snel duidelijkheid gegeven en keuzes gemaakt, is naar buiten zichtbaar geweest als opiniemaker in het hoger onderwijs. Zij zijn geneigd iets meer voor de troepen uit te lopen, te doen wat ze zelf verstandig lijkt om te doen. In een stad als Amsterdam met twee universteiten en drie hogescholen, met zoveel studenten en medewerkers, moeten we dat soort dingen meer samen doen.”


“Ik had het zelf wel prettig gevonden als er wat meer publiek kritisch vanuit de HvA was opgetreden, om een punt wat scherper te maken.”

De Hogeschool Rotterdam nam bijvoorbeeld als eerste de beslissing om het bindend studieadvies (bsa) op te schorten, nog voor andere hogescholen dat in gezamenlijkheid via de Vereniging van Hogescholen besloten. Ondertussen roerde de ASVA zich dus ook, als vakbond protesterend voor de belangen van studenten. Cato: “Wanneer zou voor de HvA eigenlijk de maat vol zijn? Wat zou er moeten gebeuren voordat de HvA zou besluiten om samen met de ASVA de straat op te gaan om te protesteren?” Steven: “Voor mij zou de maat vol zijn als ik maatregelen niet meer kan uitleggen. Wat ik nu zie, is dat afwegingen gemaakt worden met inachtneming van de belasting op de zorg. Ik kan het zelf nog steeds enigszins volgen, het openstellen van het hoger onderwijs kan een negatieve impact hebben. Dat maakt dat ik nog niet de straat op ga.” Tibbe: “Toch kwam er ook kritiek van studenten en van docenten. Hoe ga je daarmee om en wat voor kritiek is er geweest het afgelopen jaar?” Steven: “Er zijn docenten die vinden dat we te weinig onze mond hebben opengetrokken om het op te nemen voor studenten en docenten. Maar wat je niet moet vergeten, is dat er ook direct mensen in de mail klimmen om te protesteren als het onderwijs weer open gaat. Dat hebben we nu wederom gezien; deze week zijn we weer begonnen met onderwijs op locatie, met Project voor jaar 1. Meerdere docenten en studenten willen echter helemaal niet naar de opleiding komen. Er zijn dus twee geluiden: ‘mag ik weer naar de HvA’ tot ‘ik wil niemand in gevaar brengen en vind het onprettig’. Het is dus steeds zoeken naar een balans tussen kritiek van ‘mag er niet meer’ tot ‘ik voel me hier niet goed bij’. Je moet rekening houden met al deze mensen.” Tibbe: “Dat herken ik wel uit mijn eigen lessen; niet alle studenten willen komen, zelfs als dat wel weer kan. Cato, jij wil in september weer beginnen. Wat zou er nou moeten gebeuren om je weer terug te laten komen naar de opleiding?” Cato: “Ik wil dan vooral mijn medestudenten weer zien, mijn docenten weer kunnen zien, me thuisvoelen in de stad. Mentaal begint het nu inmiddels wel erg zwaar te wegen, dat ik zelfs een beetje verdrieting wakker word. Dit is niet wat ik me had voorgesteld van mijn studententijd en het begin van je volwassen leven als twintiger. Ik ben helemaal niet altijd een enorme fan van de studie, maar ik kan nu niets liever willen dan naar de HvA te gaan, ik kan niet wachten tot het weer begint. Zelfs de suffe discussies of een docent die vraagt of we nog naar illegale feestjes zijn geweest. Ik kan niet wachten tot we samen weer lekker kunnen klagen over de vieze koffie uit de automaat.”


“Wat je niet moet vergeten, is dat er ook direct mensen in de mail klimmen om te protesteren als het onderwijs weer open gaat. Meerdere docenten en studenten willen nog niet naar de opleiding komen.”

De toekomst vanaf september

De komende weken staan in het teken van het langzaam terug bewegen naar de normale situatie, waarin ook weer onderwijs op het Wibauthuis mogelijk zal zijn. Na de zomer is waarschijnlijk nog meer mogelijk en kan ook het echte terugblikken beginnen. Tibbe: “De uitdaging wordt toch om dit te sublimeren, om te laten zien dat we ook deze tijd hebben doorstaan, dat we veerkrachtig zijn geweest. Dat je als student ook in deze tijd succesvol hebt kunnen studeren. Dat je het in je voordeel gaat omzetten.” Cato: “Dat vind ik wel gek, dat is kritiek die ik heel vervelend vind. Alsof we nu al positiever moeten denken over wat er allemaal gebeurt. Het hoeft niet nu allemaal goed te gaan. Studenten hebben het ook heel taai nu. Je kan vertraging oplopen, of stoppen met je studie.” Tibbe: “Zo bedoel ik het niet hoor. Het gaat erom dat we vanaf september er toch nog goed met elkaar over hebben; wat kunnen we ermee? Ik ben nu ook vaak heel kritisch en chagerijnig, maar straks hebben we daar niets aan. Dan moeten we ook gaan kijken wat het ons heeft gebracht. We moeten zorgen dat we er dan een goed verhaal bij hebben. Studenten nog meer dan Steven of dan ik; jullie moeten straks gaan solliciteren. Wel belangrijk dat je dan ook over deze periode een goed verhaal kunt vertellen.” Dat is allemaal toekomstmuziek, als ook de nazorg belangrijk zal zijn. Voorlopig moeten we er met z’n allen nog het beste van maken in die laatste maanden tot de zomervakantie. Tibbe: “Wat zie jij nog voor ruimte om te handelen, Steven? Steven: “Vooral door dingen zo breed mogelijk te intepreteren, door goed te kijken wat mogelijk is en zo vooral ook de ruimte te pakken die je pakken kan. Al komt er dan dus ook kritiek vanuit de andere groep studenten en docenten die nog geen onderwijs op locatie wil. Als er onderwijs op locatie mogelijk is, proberen we bijvoorbeeld ook meteen ruimte te bieden voor studenten om elkaar daarbuiten te zien, om samen te werken.” Tibbe: “Heb je dat samenwerken zelf eigenlijk gemist? Heeft dat invloed gehad op jouw motivatie?” Steven: “Het was ook best saai. We hadden mooie bestuurlijke uitdagingen. Waar willen we naartoe? Vorig jaar zaten we nog met het hele team in Bergen aan Zee om mooie plannen te maken en te dromen over ons onderwijs. Het uitvoeren van onze plannen lag ineens stil omdat we vanalles moesten regelen voor de korte termijn. Dat is meer managen, dat hoort natuurlijk ook bij mijn functie als opleidingsmanager. Maar dat dromen, samen plannen maken en uitvoeren, dat vind ik toch wel het mooiste onderdeel van het werk.” Tibbe: “Cato, hoe zie jij de toekomst van het onderwijs voor je en wat zijn je eigen ambities?” Cato: “Ik kijk uit naar schooldeuren die open zijn, naar studenten die elkaar weer kunnen zien, het studentenleven dat echt kan beginnen. Ik ga uit van september, om teleurstelling bij mezelf te voorkomen. Ik wil me ook vooral hard blijven maken voor de HBO-student. Nu is de representatie toch vooral voor en door universitaire studenten. Terwijl ook HBO-ers een groot deel van de doelgroep van het hoger onderwijs uitmaken. We moeten van ons laten horen en niet aan de zijlijn staan!” Tibbe: “Hoe zie jij dat Steven, wat zijn jouw uitdagingen?” Steven: “Voor de korte termijn is het nog pakken wat je pakken kan aan ruimte die we krijgen, maar ook rekening houden met de studenten en docenten die daar nog niet klaar voor zijn. Volgend jaar is vooral de uitdaging de herwaardering van het persoonlijk contact; hoe gaan we om met het samenzijn, het samenwerken, de momenten dat we samenkomen. Zijn we daar wel goed mee omgegaan in het verleden? Dat is voor komend studiejaar de mooiste vraag wat mij betreft; hoe kunnen we die momenten dat met elkaar samenzijn nog beter benutten? We moeten ook breder gaan kijken dan alleen naar studieresulaten. Afgelopen jaar waren die namelijk best goed, heel fijn, maar andere dingen zijn ook belangrijk. Hoe gaat het met mensen? De tijd dat je studeert is veel meer dan studeren. Het behalen van studieresulaten is niet het belangrijkste. Studeren is in Nederland misschien té efficient geworden; in vier jaar zo snel mogelijk van A naar B. We moeten ons niet blindstaren op studieresulaten. Je bent twintiger, je wordt volwassen, je ontmoet nieuwe mensen, sluit nieuwe vriendschappen; dat is ook superbelangrijk. Dat moeten we niet teveel objectiveren in studiepunten en cijfers.”


“Studeren is in Nederland misschien té efficient geworden; in vier jaar zo snel mogelijk van A naar B. We moeten ons niet blindstaren op studieresulaten.”

Meer lezen, luisteren of kijken over Steven en Cato? Zie dan;