Tweegesprek

"Hoe maakbaar is de samenleving eigenlijk?"
"De (on)bedoelde gevolgen van het maakbaarheidsdenken"

"Hoe maakbaar is de samenleving eigenlijk?"

Ha Loek, Onlangs las ik een goed boek; De ban van beheersing, het proefschrift van bestuurskundige Robert van Putten. Een artikel over dat boek heb ik al eerder gedeeld met collega’s en ik kan iedereen aanraden het te lezen, al kost dat door het academische taalgebruik wel wat moeite. Eerder waren er al andere bestuurskundigen van de Vrije Universiteit, waar Van Putten ook gepromoveerd is, die soortgelijk kritisch waren, zoals Willem Trommel in zijn boek Gulzig bestuur en het werk van Paul Frissen zoals De fatale staat. Eerder gaf ook Hans Bouttelier mooi inzicht in de illussie dat de overheid een veilige wereld met maximale vrijheid kan regelen door te spreken van de zogenaamde ‘veiligheidsutopie’. Streven naar maximale veiligheid gaat altijd te koste van de vrijheid! Van Putten laat in zijn uiteenzetting duidelijk zien wat we nu om ons heen ook meemaken; maakbaarheid is daarbij een centraal begrip, het idee dat je als overheid met allerlei ingrepen de samenleving kunt veranderen alsof het een soort machine is, met de beleidsmaker als een sociaal ingenieur die met allerlei doordachte beleidsplannen de werkelijkheid naar zijn hand kan zetten. Dat deze maaksbaarheidshoogmoed van beleidsmakers voor problemen kan zorgen blijkt wel uit de actualiteit. De coronapandemie (eigenlijk meerdere crises tegelijkertijd, zowel een gezondheidscrisis als een crisis als gevolg van beleidsinterventies) is niet alleen een door mensen zelf veroorzaakte crisis, ook de hoofdrol die de overheid heeft gepakt in het bestrijden van de gevolgen daarvan is veel te ambitieus, als je het mij vraagt. Toen ik zelf nog als beleidsmaker werkzaam was voor de gemeente Amsterdam leerde ik ooit van een wijze collega; alles wat je naar je toe trekt, daar blijf je mee zitten. Pas dus op voordat je je als beleidsmaker ergens mee gaat bemoeien en wees je bewust van je beperkingen om de werkelijkheid te sturen. Dit zien we ook met de overheid nu; zo ver ingrijpen in de samenleving, compleet met voorschriften over naar wie je wel en niet een sneeuwbal mag gooien, geboden waarin beschreven staat dat je op een verjaardagsfeestje voor iedere bezoeker een apart schaaltje met nootjes of chips moet maken, regels over hoeveel mensen je mag uitnodigen bij je kerstdiner en met pijlen aangegeven looproutes die bijna overal te vinden zijn op dit moment, zijn lachwekkende voorbeelden van falend micromanagement. Maatregelen waarbij de overheid het leven van mensen op zo’n detailniveau invulling geeft, dat niet alleen de eigen geloofwaardigheid van de door de boven ons gestelden op het spel gezet wordt maar tegelijkertijd ook het eigen oordeelsvermogen van mensen uitgeschakeld wordt. Dat is geen overheid waar ik veel vertrouwen in heb. In zijn boek geeft Van Putten aan dat dit soort maakbaarheidsambities van beleidsmakers niet alleen komisch kan uitpakken, maar ook gevaarlijk is. Er is namelijk steeds meer geweld nodig door een overheid die zo’n grote broek aantrekt om de samenleving haar wil op te leggen. Dit hebben we de afgelopen weken ook gezien, met steeds meer en hardhandiger ingrijpen door de politie, avondklokrellen en steeds verdere vrijheidsbeperkingen, tot en met een opsluiting in je eigen huis aan toe. Het is noodzakelijk dat wij ook onze studenten hiervan bewust maken. Vanaf het eerste jaar gaan zij namelijk al direct aan de slag met het ontwerpen van allerlei beleidsinterventies; we leren onze studenten direct de samenleving naar hun hand te zetten. Zonder zich daarbij af te vragen wat de rol van de overheid eigenlijk zou moeten zijn bij het sturen van die samenleving of kritisch te kijken naar de ambities van hun opdrachtgever en de mate waarin die passen bij wat mogelijk is, maar vooral ook wat wenselijk is. Laten wij vooral geen bestuurskundigen opleiden die in de ban van beheersing zijn! Groet, Tibbe.

"De (on)bedoelde gevolgen van het maakbaarheidsdenken" Beste Tibbe, Ook ik ben bekend met de kritiek op het maakbaarheidsdenken wat zo inzichtelijk wordt verwoord door een aantal Bestuurskundigen aan de Vrije Universiteit. Hoewel ik het proefschrift van Robert van Putten nog niet gelezen heb, kan ik een goede voorstelling maken van waar dit boek over gaat. De wereld is complex, onzeker, chaotisch en moeilijk te beheersen. Dat maakt het voor bestuurders zeker in crisis tijd niet gemakkelijk. Zoals Premier Rutte al aangaf: ‘Met 50 procent van de kennis moeten we 100 procent van de besluiten nemen, en de gevolgen daarvan dragen’. Tegelijkertijd willen politici en bestuurders de samenleving het liefst op een daadkrachtige manier naar hun hand zetten. De maakbaarheidsdroom gericht op veiligheid en zekerheid blijft hierdoor in leven en kan als onbedoeld gevolg uitmonden in een bemoeizuchte overheid, of in het ergste geval een totalitaire nachtmerrie. Het is dan ook verstandig om je als overheid soms wat meer bescheiden en gematigd op te stellen, ondersteunend aan bestaande praktijken en nieuwe maatschappelijke iniatieven. Maar niet alleen bestuurders lijken te geloven in het maakbaarheidsdenken. Volgens Paul Verhaeghe, Hoogleraar klinische psychologie en psychiatrie leven we in het tijdperk van de maakbare mens. Er is een sterk geloof dat we ons leven kunnen perfectioneren, of tenminste aanzienlijk kunnen verbeteren. Bijvoorbeeld door te sleutelen aan ons lichaam of door op sociale media een verbeterde versie van onszelf te presenteren. Zo wordt ons dag in dag uit vertelt dat we kunnen worden wie we willen zijn, als we maar goed genoeg ons best doen! Wederom een hoopvolle boodschap met een onbedoelde schaduwkant. Want als we niet slagen, als we niet succesvol zijn, hebben we het allemaal aan onszelf te danken. Dit sluit goed aan op het betoog van de filosoof Michael Sandel in zijn recente boek ‘De tirannie van de verdienste’. Als we succes zien als iets wat je zelf hebt verdient dan zet dit volgens Sandel de solidariteit onder druk. Het feliciteert de winnaars want die hebben het immers verdient en het kleineert de verliezers want die hebben niet hard genoeg hun best gedaan. We lijken onvoldoende te beseffen dat succes ook te maken heeft met toeval, geluk, aanleg, de juiste omstandigheden en ouders en docenten die je de weg wijzen. ‘Hoe meer oog we hebben voor de toevallige aard van onze lotsbestemming, des te meer reden hebben we om dat lot te delen met anderen’, aldus Sandel. Moeten we het maakbaarheidsdenken dan helemaal over boord gooien? Dat lijkt mij niet. Denk bijvoorbeeld eens aan allerlei sociale bewegingen, zoals de arbeidersbeweging, de vrouwenbeweging en recentelijk de black lives matter-beweging, die door middel van collectieve actie streven naar maatschappelijke verandering. Het ontstaan en functioneren van sociale bewegingen heeft altijd te maken met de overtuiging van een zekere mate van maakbaarheid van de samenleving. Want zonder die overtuiging zou het streven naar sociale rechtvaardigheid zinloos zijn: wie zich machteloos voelt, komt niet tot actie. Daarom zou de conclusie moeten zijn dat de samenleving tot op zekere hoogte meer maakbaar en veranderbaar is dan sommigen geloven of beweren. Maar het uiteindelijke resultaat van het streven en handelen vaak heel anders uitpakt dan wij van te voren bedoeld en voorzien hadden. Dit vraagt om bestuurskundige gemeenschap die kritisch reflecteert op de onbedoelde gevolgen van overheidshandelen, maar tegelijkertijd durft te dromen over hoe de wereld beter kan in termen van vrijheid, democratie en rechtvaardigheid. Loek van Kraaij